Zelf ben ik nog uit het oude deeg gesneden met als gevolg: dat ik me nogal verbaas. Vooral hoe men heden ten dage met elkaar omgaat, daar lusten de honden geen brood van. Natuurlijk is er altijd al verschil van mening geweest, maar het was gebruikelijk om daar middels een gesprek uit te komen. Niet altijd lukte dat, maar op het eind gaf je elkaar een hand en ging men weer zijn eigen weegs. Dit gaat tegenwoordig niet meer.

We staan als groepen tegenover elkaar en in het gunstigste geval word je een ziekte toegewenst. Zelfs doodsbedreigingen gaat men niet uit de weg en soms over onderwerpen waarvan je denkt: waar gaat het over. Onlangs hadden we weer zo’n geval.

De moorkop was deze keer de veroorzaker en het ging weer goed te keer. De slavenhandel en alle voor-en-tegens werden er weer bijgehaald en dan laat ik de verwensingen, maar even rusten. Natuurlijk is ons slavernijverleden niet iets om trots op te zijn. Dus heb ik al een paar keer te berde gebracht om er iets aan te doen Dit om een goed voorbeeld te geven.

Aan ons verleden kunnen we weinig meer doen. Maar als dit zo belangrijk is, dan kunnen we ons nu uitleven. Slavernij en uitbuiting vinden nog steeds, in grote mate, plaats. Dus laten we dat als de wiedeweerga gaan bestrijden. Onze ooit gemaakte fout zouden we zo, voor een deel, kunnen herstellen.

Echter dan blijkt er weer een groep te zijn die deze mensen niet wil helpen. Die rustig beweren: dat ze niets met die economische vluchtelingen te maken willen hebben. Alleen zij schijnen het recht op bezit te hebben. Dus was ik blij dat ik zelf een klein gebaar kon maken.

Ik had namelijk een ‘moorkop’ geschilderd en werd hierover benaderd door het Banketbakkersgilde. Zij zaten met de handen in de slagroom en wisten dan ook niet hoe ze dit, na de negerzoen, moesten oplossen. Gelukkig kreeg iemand een inval en werd ik benaderd, met het verzoek of ik mijn naam beschikbaar wilde stellen. Dat wilde ik wel, en het is mijnerzijds een klein gebaar, maar vanaf nu heet hij ‘Dikkop’.